Toen ik mijn dochtertje 's ochtends wakker maakte en vanuit haar kamer naar buiten keek, zag ik dat de lente aan het oprukken was. De zonnestralen die binnendrongen streelden de paars, roze kleuren van de kamer en gaven het geheel een gracieus aanzien. Toen ik in de tuin stond en door de felle zon mijn ogen met moeite kon openhouden, rook ik de lente. De bomen waren groener en voller, de vogeltjes floten en vlinders dartelden in het rond. Mijn buurman, die in zijn blote bast de tuin aan het bijknippen was, groette mij met een lach van oor tot oor. Het was zichtbaar lente, voelbaar, al een paar dagen. En met een lang paasweekend in het verschiet en geen plannen, verheugde ik me op de vrije dagen.
Uiteraard ging het mis. Ik werd ziek en had geen zin meer in de lente. Van de zon kreeg ik alleen maar meer koppijn, aan het gefluit van de vogeltjes begon ik me steeds meer te ergeren en de hoge temperatuur in mijn kamer was geen garantie voor warmte; ik lag met een deken op bed, tussen het hoesten door, probeerde ik te slapen. Dat lukte natuurlijk niet. Bovendien kon ik niet de hele dag blijven liggen. Ik heb een dochtertje en het zou treurig zijn als zij, omdat ik ziek was, ook thuis moest blijven. Ik raapte mezelf op en nam mijn dochtertje mee naar buiten, naar de grootste speeltuin in de buurt: speeltuin Confucius. Van blijdschap wist ze niet waarmee ze moest spelen. Even op de schommel en na twee, drie keer heen en weer gingen we op de wip, daarna snel naar de kabouterhuisjes, even zitten en gauw richting de glijbaan lopen. En dan ook de kortste weg naar de glijbaan, midden door een voetbalveldje waar jong en oud achter een bal aan zat te rennen. Toen ik moe, en de zweetdruppels afvegend van mijn voorhoofd, haar op het laatste obstakel had geplaatst en haar even haar gang had laten gaan, maakte ik aanstalten om richting huis te lopen.
Maar dat was niet de bedoeling, daar was mijn prinsesje het niet mee eens: “Neeee.. niet huis. Speeltuin! Papa, ik woel speeltuin!”
“Nee, we gaan naar huis lieverd”
“Neeeee, ik woel speeltuin”
“Ik WIL speeltuin”
“Ja, papa, ik woel speeltuin, oké? oké? oké, papa?”
“Ja, OKE!”
Ze wilde dus nog een rondje. Nog een keer op de wip, op de schommel, klimrek, glijbaan, het kabouterhuisje in en in de zandbak. En daarna? Daarna nog een keer, en je raadt het al; daarna nog een keer. Ik kreeg echt een bloedhekel aan deze speeltuin, met al die rotkinderen die tegen je aanfietste, de bal tegen je aan schopte en uitermate irritant net op dat speeltuigje gaan spelen waar ook mijn dochter op wil
Moe en uitgeput kwamen we thuis aan. Althans, ik was moe en uitgeput, en daarnaast ook nog zwaar hoestend en snotterend. Zij had genoeg energie om nog wel drie rondjes te doen. Hoe ik haar had overgehaald naar huis te gaan? Door haar te beloven dat ze thuis snoep zou krijgen en in bad mocht én dat we morgen weer terug naar deze speeltuin zouden gaan...
De volgende dag ging het iets beter. Maar vanwege het gevaar van aansteken, gingen vrouw en kind weg, mij niet geheel teleurgesteld achterlatend, opbezoek bij opa. En na een paar keer van kant gewisseld op bed, gehoest, in snelvaart langs de tv zenders gezapt, besloot ik maar om mijn voornemen te genieten van de lente en de vrije tijd waar te maken. Ik liep naar de berging, pakte mijn wanhopig achter allerlei spullen verstopte en maanden niet gebruikte fiets. Ik controleerde de banden, de ketting en keek of alles nog soepel draaide. Het zadel was wel een beetje aan de harde kant, maar desalniettemin; de fiets was goedgekeurd.
Met de fiets aan de hand liep ik naar de auto voor mijn zonnebril. Ik maakte een speellijst op mijn Iphone, deed de witte oordopjes in mijn oren, stapte op de fiets en fietste met een flow van 2pac’s Only God Can Judge Me in mijn oren, richting het zuiden.
Van west naar zuid, richting Amstelveen, de routebordjes nauwlettend in de gaten, langs grachten en over bruggen, door het Rembrand Park - compleet met loslopende honden, grote gezinnen en een barbecuegeur die me deed watertanden - kruiste ik het westen van de stad, stoplichten veelal negerend, met een eindbestemming die veranderde en steeds verder kwam te liggen; eerst was het ‘het Rembrand Park’, daarna ‘het Olympisch Stadion’ en uiteindelijk werd het ‘de kinderboerderij’ in het Amsterdamse bos.
Toen ik de brug over de Westlandgracht nam en in een ander stadsdeel terechtkwam, waande ik me in een ander land; De aanblik van exotisch gekleurde hoofddoeken en kinderwagens maakte plaats voor blote benen en bakfietsen. We zijn officieel in zuid.
In eerste instantie was ik van plan om een kort rondje te maken. Een beetje frisse lucht opsnuiven en daarna weer snel naar huis om uit te zieken. Maar ik voelde me lekker, genoot van de wind door mijn haar en langs mijn bril. En de muziek zweepte me aan harder en harder tegen de wind te fietsen. De adrenaline gierde door mijn lijf en won makkelijk de eenzijdig begonnen wedstrijdjes, die ik alleen aanging met fietsers waarvan ik zeker wist dat ik die kon hebben. Ik won het voorrangspelletje met auto’s die me geen voorrang wilde verlenen, maar die ik afdwong door mijn onverschrokkenheid. Ik won van de muggen, die ik langs mijn gezicht dwong te vliegen, ik won van de wind, die zwakker en zwakker werd en uiteindelijk moegestreden ging liggen. Even, voor even, waande ik me de koning te rijk.
Maar al snel kwam ik de realiteit tegen en die wedstrijd won ik niet. Wat ik ook deed, de man met de hamer bleef slaan en ik kon niet ontwijken. De wind maakte een comeback en de muggen kwamen als kamikazes op mijn gezicht af. Mijn humeur veranderde, het was ineens herfst geworden. Verdorde bladeren versperde mij de weg en knetterde onder mijn fietsbanden. Waarom was ik hieraan begonnen? Waarom was ik niet gewoon thuis gebleven, in bed met een afstandsbediening in mijn ene hand en een glaasje cola in mijn andere hand? Cola! Oh, dear God, wat smacht ik naar een blikje cola, of water, of whatever. Had ik maar iets te drinken meegenomen, maar nee, ik was te druk bezig met belangrijkere dingen zoals mijn zonnebril en mijn afspeellijst, god, wat ben ik toch een sukkel. Ik heb al mijn krachten verspild met nutteloze wedstrijdjes tegen opa’s op fietsen en wat heb ik eraan overgehouden? Een droge keel, vermoeide benen en pijn in mijn kont van dat harde kutzadel. Dit allemaal nog voor ik mijn eindbestemming had bereikt. En daarna moest ik nog terug. Om dit ritje niet helemaal als nutteloos af te schrijven en mezelf een volmaakte loser te voelen, besloot ik die resterende twee kilometers naar de kinderboerderij af te maken. Daarna begon ik de reis terug. Die hel van een reis terug die onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift staat. In mijn nachtmerries beleef ik ‘m keer op keer, en met de nacht wordt ie zwaarder en heviger.
Toen ik helemaal uitgeput voor mijn deur stond, had ik niet eens de kracht om met mijn hand omhoog te gaan om op de bel te drukken. Ik stond daar maar zielloos voor mij uit te staren. Mijn buurman liep voorbij, zei wat en liep verder. Geen idee wat hij zei. Het voelde alsof ik daar bij de voordeur uren zat te wachten, maar gelukkig, uiteindelijk zag mijn vrouw het silhouet van mijn afgematte lichaam voor de deur en liet mij binnen. Op het moment dat ik mij ter aarde stort zie ik vanuit mijn ooghoek mijn dochtertje op mij afrennen: “Papa! Speeltuin, speeltuin! Kom, ik woel speeltuin”... en ik, ik huilde zachtjes
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten