Het duurt me allemaal te lang, dit. Het moet afgelopen zijn, ik wil nu aan de beurt zijn. Nu! En daarna meteen wegwezen. Maar als ik voor me uit kijk kan ik het einde van de rij niet eens zien. Ik zie alleen enorm lange rijen die in het oneindige verdwijnen. Het doet me denken aan de weg naar Marokko, aan Frankrijk waar veel wegen oersaai zijn en alsmaar rechtdoor gaan, zover je kunt kijken gaan ze rechtdoor. Heel in de verte zie je een klein knikje naar rechts en dat is het. Zo is de rij waar ik nu in sta ook, zover ik kan kijken, de mensen worden kleiner en kleiner.
Het is twee uur, het is zaterdagmiddag en ik sta godverdomme in een rij! Alsof ik niets beter te doen heb. Misschien had ik hier niet moeten zijn, misschien had ik mijn gevoel moeten volgen. Hoe dan ook; ik ben hier, ik adem hevig, ik heb een onregelmatige hartslag en intussen sta ik er nog steeds. Het is mijn lot. Ik wil weg, maar dat kan niet. Mijn vrouw staat naast me, mijn kind voor me en ik kijk maar om me heen en op mijn horloge... Zweet breekt uit, mijn voorhoofd is vochtig, ik voel druppels langs mijn oren naar beneden gaan, ik krijg het warm, doe mijn jas uit en begin een beetje nerveus te springen. Mijn vrouw zit er niet zo mee, ze maakt er maar het beste van en lacht met een andere vrouw in de rij. Ze draait zich om naar mij, ziet me springen en vraagt of het goed gaat. Ja, gaat goed, kan er gewoon niet tegen. Ik wil naar huis. Ze draait zich weer om en praat verder met die mevrouw. Tegen mij begint ineens een groene olifant te praten.
Oké, ik zie dingen, ik hallucineer, ik weet het zeker, ik hallucineer want anders kan ik niet verklaren waarom er een groene olifant tegen mij praat. "Zie jij ‘m ook", vraag ik aan mijn vrouw.
"Wát zie ik ook?"
"Die groene olifant!"
"ehhh... dat limegroene olifantje in de handen van dat meisje?"
"Limegroen?! What the fuck!... daar gaat het toch hele..."
Ze draait ze zich om en praat verder met haar nieuwe vriendin.
Ik stop met springen. Ik realiseer me wat er aan de hand is. Mijn vrouw ziet het gevaar misschien niet, ik weet niet waarom, maar zij is rustig, zij is cool. Net als de rest van de mensen, iedereen is cool, niemand schreeuwt, niemand in paniek. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat we straks kopje onder gaan. Maar voor mij geldt dat niet. Dit is geen grap, ik begrijp niet hoe mensen rustig kunnen blijven, dit is levensbedreigend. Hoe vaak ze ook zeggen dat er niets aan de hand is, ik geloof het niet. Dit is een schip, een cruiseschip en we zijn aan het zinken. Dat kan, net als dat vliegtuigen vallen, zo kunnen schepen zinken. Het had een mooie vakantie moeten zijn, het had me tot rust moeten brengen, maar het tegenovergestelde is waar.
We zinken langzaam en in de tussentijd staan we in de rij voor een reddingsboot. Ik voel me schuldig dat ik vooral met mezelf bezig was. En vrijwel meteen maakt een oergevoel zich meester van me; vrouw en kinderen eerst, vrouw en kinderen eerst. Het galmt door mijn hoofd; vrouw en kinderen eerst. Ik spring uit de rij, roep heel hard: "Allemaal kalm, mensen! Allemaal kalm, het komt wel goed. Alle mannen uit de rij, vrouw en kinderen eerst!"
Niemand reageert.
"ALLE MANNEN UIT DE RIJ!!" Schreeuw ik. Mensen schrikken, nemen afstand van me. Blijkbaar zien ze de pistool in mijn rechterhand. Een paar bediendes komen kijken en vragen wat er aan de hand is. Ik schreeuw: “Bek houden ober, maak jezelf nuttig. Haal alle mannen uit de rij en laat eerst de vrouwen en kinderen instappen.”
“Wat?”
“Laat eerst de vrouwen en kinderen instappen”
“Waar moeten ze instappen?”
“IN DE REDDINGSBOOT! Waar denk je anders?”
“Meneer, komt u maar mee, dan praten we daar wel verder”
“WAAR, WAAROM? Overal zee, overal water om ons heen. Dit schip maakt water, steeds meer en is zinkende. We moeten opschieten anders gaan we allemaal ten onder”
“Meneer, loopt u alstublieft mee”
“Begrijp je het dan niet. Er zijn te weinig reddingsboten, de helft zal verdrinken. Laten we in godsnaam eerst de zwakken in de boten zetten.”
“Ja, meneer, u heeft gelijk. Misschien kunt u díe mevrouw eerst in de reddingsboot zetten”
“Welke mevrouw?” ik draai me om, zie eerst het boze gezicht van mijn vrouw en een fractie van een seconde later zie ik haar hand van rechts, met de snelheid van licht, richting mijn gezicht vliegen.
Alles zwart
Langzaam zie ik weer licht. Het wordt helder voor mijn ogen. Ik zie geen groene olifant meer, of limegroen, en ik heb geen pistool in mijn hand, alleen een afwasborstel. Ik kijk achter me, zie mijn vrouw, ze kijkt bezorgd naar me, ik kijk naar beneden, zie mijn dochtertje, ze speelt.
17 minuten later...
Ik kijk naar de man voor me in de rij, mijn blik valt op een spiegel die de man in zijn hand heeft. Ik zie mezelf in de spiegel, ik zie een baard, een grijze baard, ik zie rimpels. Ik knijp mezelf wakker en kijk weer. Het is echt, ik ben gewoon oud. Ik kijk naar mijn vrouw. Ze is ook oud en leunt op een rollator. Ik kijk naar beneden en zie alleen de benen van een vrouw voor me, waar is mijn dochter, roep ik. De vrouw voor me heeft een baby in haar armen, ze draait zich om en zegt: “Hier ben ik pap.”
“Wie ben jij?” vraag ik.
“Je dochter, wie denk je anders? Dit is je kleindochter. Gaat het goed?”
“WAT?”
Ik begin weer te zweten, ik maak de knopen van mijn blouse open. Ik hou het niet vol. Verlos me, alstublieft, verlos me! Ik heb een pistool in mijn rechterhand, Ik doe het gewoon, ik doe het. Ik plaats ‘m in mijn mond en net als ik de trekker wil overhalen, zie ik vanuit mijn linkerooghoek een flits van een hand richting mijn gezicht. Nog voor ik mijn blik kan wenden haal ik de trekker over. Ik voel de inslag.
Alles zwart
Mijn ogen gaan langzaam open, ik zie het plafond en allemaal mensen van boven naar me kijken. Ik zie de mond van mijn vrouw bewegen, langzaam begin ik te horen wat ze zegt.
“…gek geworden? … Ben je nou helemaal gek geworden?”
“Wat? Waar zijn we?” vraag ik verward.
“Je staat te sabbelen op een afwasborstel, midden in Ikea!”
Ik blijf tien seconden stil en dan dringt het tot me door: “Oh ja, Ikea”
Na drie uur en zesenveertig minuten zijn we eindelijk aan de beurt. Godallemachtig!
Op dat moment kwam er nog net geen stoom uit mijn oren. Ik stoorde me ongelofelijk aan de onbeschoftheid van de mensen die voor me in de rij stonden. Niemand die het in zijn hoofd haalde om te zeggen: “Goh, je staat er al zo lang, je hebt alleen een afwasborstel in je hand, Wil je misschien voorgaan?“ Niemand!
Maar nu maakt het niet uit, ik mag eindelijk betalen en wegwezen hier.
Maar als ik mijn pasje tevoorschijn haal worden we door de dikke kassière erop aangewezen dat bij deze kassa de pinautomaat defect is. "Kijk maar, staat op dit briefje, hierboven!" zegt ze met een irritant kutlachje op haar gezicht.
Een kleine discussie volgt met een hoop ‘godverdommes’ en woorden van gelijke strekking
Het kwam erop neer dat we met ‘gewoon’ geld moesten betalen of in de rij staan van de kassa ernaast waar de pinautomaat wel werkt. We hadden geen geld bij ons en weer in de rij staan.. tja, wat denk je zelf?
Ik heb vervolgens gedaan wat ieder weldenkend en zichzelf respecterend mens in mijn situatie zou doen.
Juist, ja!
Ik heb de afwasborstel, heel snel, edoch uiterst precies, in zijn geheel, in haar kont gestopt.
Afijn, van zo’n ervaring leer je natuurlijk ook wat. Om wat voorbeelden te geven: Nooit meer op zaterdagmiddag naar Ikea; ga nog liever een dagje naar Guantánamo Bay.
Nooit meer tegen je vrouw zeggen: “Goh, geinige afwasborstel”. Bekhouden over artikelen waar je toch nooit iets mee doet.
En altijd, let op dit is de belangrijkste, ALTIJD eerst tot tien tellen, want na het ongevraagd inpluggen van een afwasborstel in de derrière van een kassière, is waarschijnlijk het aanbieden van excuses niet genoeg om een celstraf te ontlopen.
Met vriendelijke groet,
Abderamanos
Vanuit Bijlmerbajes, cel 17 blok B
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

In werkelijkheid duurde het 4 minuten...
BeantwoordenVerwijderen